Vanaf 2028 zou Box 3 veranderen van een vermogensbelasting in een heffing op ongerealiseerde vermogensaanwas. Met het voorstel voor een "belasting op vermogensaanwas" introduceert het kabinet een systeem waarin u afrekent over winsten die u nog niet heeft gerealiseerd, zonder structurele inflatiecorrectie. Het resultaat? Een fiscaal regime waarin zelfs bij een reëel rendement van nul procent, u belasting betaalt over de nominale stijging. De vraag is of de Eerste Kamer de economische gebreken in dit voorstel zal herkennen.

De recente politieke ontwikkelingen rondom de hervorming van Box 3 markeren een radicale koerswijziging in het Nederlandse belastingstelsel. Het wetsvoorstel "Wet werkelijk rendement box 3", dat naar verwachting in 2028 moet ingaan, introduceert een heffing van 36% op de nominale vermogensaanwas, afhankelijk van de samenstelling van uw vermogen in Box 3. Deze heffing zou echter in de uitvoering kunnen worden beperkt door heffingsvrije resultaten en specifieke regels per activum. Dit betekent dat er jaarlijks moet worden afgerekend over ongerealiseerde winsten: nominale waardestijgingen waarover nog geen cent aan liquide middelen is binnengekomen.

Voordat dit voorstel definitief wordt, moet het de toetsing van de Eerste Kamer nog doorstaan. Er zijn ook adviezen van de Raad van State en politieke discussies die inhoudelijke wijzigingen nog mogelijk maken. De vraag is of de senaat de fundamentele gebreken op het gebied van eigendomsrecht, liquiditeit en economische logica zal herkennen.

In het voorgestelde regime wordt de jaarlijkse waardestijging van aandelen, cryptovaluta en (deels) vastgoed direct belast. Wie een beleggingsportefeuille heeft die in een goed beursjaar stijgt, moet direct 36% van de nominale waardestijging overmaken naar de fiscus, ongeacht of er aandelen zijn verkocht. Dit effect kan enigszins worden gematigd door heffingsvrije resultaten en verliesverrekening in latere jaren.

Dit dwingt beleggers tot het creëren van kunstmatige liquiditeit: men moet activa vroeger verkopen of geld lenen om de belasting te kunnen betalen. Hiermee wordt de klassieke fiscale regel dat men pas belasting betaalt bij realisatie (het "genieten" van inkomen) definitief begraven. Voor sommige activaklassen kan de belasting pas bij realisatie plaatsvinden, zoals bij onroerend goed en aandelen in en winstbewijzen van startende ondernemingen.

De inflatie-illusie: Belasten van koopkrachtverlies

Een stuitend gebrek in dit wetsvoorstel is het volledige ontbreken van een expliciete inflatiecorrectie. Inflatie is een fenomeen dat wordt aangedreven door monetaire emissie en macro-economisch beleid, factoren waar de individuele belastingplichtige geen enkele invloed op heeft.

In periodes van hoge inflatie stijgen de nominale prijzen van activa vaak mee, zonder dat de koopkracht toeneemt. Als uw portefeuille met 5% stijgt terwijl de inflatie ook 5% bedraagt, is uw reële winst exact nul. Toch heft de staat in dit scenario 36% belasting over die nominale stijging. De overheid belast hiermee geen vermogensgroei, maar een prijsstijging die louter de geldontwaarding compenseert. Dit maakt de heffing feitelijk tot een "belasting op inflatie", waarbij de burger wordt gestraft voor het proberen te behouden van de waarde van zijn spaargeld. Kleine rendementen kunnen echter gedeeltelijk worden beschermd door het heffingsvrije resultaat.

Asymmetrie van verlies

De politiek schermt met het feit dat verliezen verrekenbaar zijn. De realiteit is echter een stuk grimmiger door het ontbreken van een carry-back regeling (verliesverrekening met het verleden). Verliezen kunnen alleen worden meegenomen naar de toekomst (carry-forward), om ze te verrekenen met toekomstige positieve rendementen binnen Box 3.

Een scenario met driejarige volatiliteit:

Jaar 1: Uw portefeuille stijgt nominaal met €40.000. U betaalt direct €14.400 belasting.

Jaar 2: De markt corrigeert; uw portefeuille daalt met €40.000. U betaalt €0 belasting en krijgt een "verrekenbaar verlies". U krijgt echter niets terug van de eerder betaalde €14.400.

Jaar 3: De markt herstelt; uw portefeuille stijgt weer met €40.000. U streept dit weg tegen het verlies uit jaar 2.

De balans na 3 jaar: Uw reële rendement is 0% en toch bent u wel €14.400 aan cash kwijt aan de belastingdienst uit jaar 1.

De overheid houdt uw geld effectief gegijzeld. In een volatiele markt fungeert dit stelsel als een eenrichtingsverkeer van liquiditeit richting de staatskas.

Het vernietigende effect op de samengestelde interest

Vermogensopbouw rust op het principe van samengestelde interest (rendement-op-rendement). Door jaarlijks 36% van de nominale groei af te romen (nog voordat inflatie is meegerekend) wordt de exponentiële groei van kapitaal in de kiem gesmoord. Dit raakt niet alleen de "superrijken", maar juist de brede middenklasse die via ETF's of andere beleggingen probeert een pensioengat te dichten of financiële onafhankelijkheid na te streven.

Om de impact van dit stelsel te begrijpen, kijken we naar een gedisciplineerde belegger die opbouwt voor de lange termijn:

Startvermogen: €100.000

Maandelijkse inleg: €1.000

Gemiddeld jaarrendement: 10%

Looptijd: 20 jaar

De uitkomst: Zonder de jaarlijkse Box 3-heffing zou deze portefeuille na 20 jaar zijn uitgegroeid tot een kapitaal van meer dan €1.390.000.

Echter, wanneer de staat elk jaar 36% van de vermogensaanwas opeist, wordt het effectieve rendement teruggebracht van 10% naar slechts 6,4%. In dat geval bedraagt de nominale eindwaarde na 20 jaar nog maar €820.000. Deze voorbeelden zijn vereenvoudigd maar illustratief; in de praktijk kunnen andere factoren, zoals het heffingsvrije resultaat en de verliesverrekening, invloed hebben.

Grafiek: Groei van beleggingsportefeuilles over 20 jaar — zonder belasting versus met Box 3-heffing
Vergelijking vermogensgroei over 20 jaar: zonder heffing versus met de voorgestelde Box 3-belasting.

Het verschil? Een gigantisch bedrag van meer dan €570.000 (ofwel €2.300+ per maand!) dat niet in de pensioenpot van de burger terechtkomt, maar voortijdig door de fiscus is afgeroomd.

Conclusie

Het voorgestelde Box 3-stelsel voor 2028 belast vermogensaanwas op een wijze die moeilijk te verenigen is met economische realiteit en rechtszekerheid. Wanneer nominale waardestijgingen zonder structurele inflatiecorrectie als belastbare grondslag dienen, kan belasting worden geheven over rendement dat geen reële koopkrachttoename vormt en vaak niet liquide beschikbaar is. Dit vergroot de onzekerheid voor investeerders en verstoort de langetermijnoriëntatie die juist essentieel is voor kapitaalvorming.

Belastingen op vermogen en vermogensgroei hebben bovendien aantoonbare gedragseffecten: zij verlagen de prikkel tot sparen, verhogen de vereiste rendementseis voor investeringen en maken kapitaal mobieler richting fiscaal stabielere omgevingen. Meerdere internationale voorbeelden, zoals bijvoorbeeld België en Zwitserland, laten zien dat het in beginsel niet belasten van particuliere vermogenswinsten kan samengaan met een aantrekkelijk investeringsklimaat en welvaart, grotere eenvoud in uitvoering en sterkere prikkels voor productieve inzet van kapitaal. In Duitsland zijn de winsten op investeringen die langer dan twaalf maanden worden gehouden zelfs volledig vrijgesteld.

Voor Nederland betekent dit eigenlijk dat de kernvraag niet ligt in het verfijnen van de heffing, maar in de keuze welk economisch gedrag het stelsel wil bevorderen. Het niet belasten van vermogen, gecombineerd met beheersing van de overheidsuitgaven en waar doelmatig meer ruimte voor private uitvoering van publieke taken, behoudt de juiste prikkels voor sparen en investeren en bevordert een stabiel fiscaal kader dat duurzame welvaartsgroei ondersteunt.